web analytics
Help mij schrijven!

Hoe de mensheid strandde, en hoe het verder ging

Posted by on nov 20, 1999

Elementaire deeltjes heet het, en over een paar dagen ligt het in de winkel. ‘Het’, dat is mijn vertaling van de roman waarmee Michel Houellebecq de Franse literaire wereld vorig jaar op zijn kop zette. Een meesterwerk, zegt de Nederlandse uitgever. Ja, absoluut, en ook een verdomd confronterend boek, dat er inderdaad ‘in hakt’, zoals de wervende slogan luidt (die ik overigens zelf op een onbewaakt moment heb geopperd, mijn vertaalervaringen tot dan toe samenvattend). Het rijtje is inmiddels al vaak genoeg opgesomd, afgelopen vrijdag nog in NRC Handelsblad: genetische manipulatie en klonen van mensen, zeer expliciet beschreven seksuele uitspattingen, een hoofdpersoon die racistische uitspraken doet en ga zo maar door. Het kan niet op. Uiteraard stond Frankrijk op zijn achterste benen.

Voor journalisten en uitgevers zijn dat soort omstreden boeken natuurlijk om te smullen: makkelijk te promoten, lekker om mee te scoren. Zelf loop ik als gelegenheidsconsument het liefst in een grote boog om al die lawaaierigheid heen, maar ik ben dan ook een verstokte hater van alles wat naar massaliteit riekt (supermarkten, popconcerten, betogingen, feestjes, nieuwjaarsborrels) en van alles wat je geacht wordt te doen, te kopen of aan te trekken om ‘erbij te horen’ of ‘erover mee te kunnen praten’. Maar ik ben ook hypocriet genoeg om te hopen dat de flinke beginoplage van Elementaire deeltjes niet bij De Slegte of in de papierversnipperaar zal eindigen: ik gun mijn uitgever zijn gedroomde klapper, tegen de eventuele royalties zeg ik heus geen nee, en bovenal: het boek is het waard.

Wat dat laatste betreft ben ik natuurlijk niet helemaal onbevooroordeeld. Zoals een meer ervaren vertaalvriend onlangs opmerkte, na een blijkbaar wel héél himmelhoch jauchzende e-mail mijnerzijds over de kwaliteiten van Houellebecqs roman: ‘Zo gaat dat bij mij altijd met de boeken die ik vertaal: ze worden steeds beter naarmate ik vorder.’ Zelfrechtvaardiging, heet dat geloof ik, en het zal onder literair vertalers ongetwijfeld een wijdverbreid verschijnsel zijn. Je moet er toch niet aan denken dat je acht maanden van je leven verspilt met het vertalen van een waardeloze roman? Dan maar liever je oordeel een beetje bijstellen… En inderdaad, de genoemde vertaalvriend wees me er ook heel fijntjes op dat ik in het begin toch zo mijn bedenkingen had gehad. Mijn weerwoord: ‘Maar die betroffen toch vooral de hype rond het boek.’ Daar had ik me maar weer mooi van afgemaakt. En het was nog waar ook.

Het is moeilijk je eerste indruk te reconstrueren als je maandenlang met een boek bent opgestaan en er mee naar bed bent gegaan (onlangs droomde ik nog dat ik de auteur moest interviewen, wat tot een wederzijds gehakkel vol onderling begrip leidde, precies zoals in de paar telefoongesprekken die we hebben gevoerd). Wat ik me nog wel herinner is dat ik de proloog en de meeste in de roman opgenomen gedichten nogal zwak vond – dat vind ik nog steeds, maar ik snap nu dat die gedichten dat ook móéten zijn – en dat het boek voor mijn gevoel pas echt op gang kwam in hoofdstuk vier, waar een lange flash-back begint die ons duidelijk moet maken waarom de hoofdpersonen zijn zoals ze zijn. Het lijkt inderdaad alsof de eerste drie hoofdstukken, hoewel ze een paar schitterende scènes bevatten, nog een beetje in de lucht hangen bij gebrek aan een fundament. Herlezen helpt zoals altijd enorm, maar ook dan blijf ik bij een aantal passages mijn vraagtekens zetten. (Bijvoorbeeld: waarom die gekunstelde indirecte rede over de bevoorrechte werkomgeving die de Parijse voorstad Palaiseau voor hoofdpersoon Michel Djerzinski is geweest, en waarom dat nogal nietszeggende lange citaat uit de autobiografie van Werner Heisenberg?)

Maar vanaf hoofdstuk vier viel alles op zijn plaats, ik kon mijn vraagtekens sparen voor een andere gelegenheid. Dat wil zeggen, op eentje na: de protestantse vrouw van de andere hoofdpersoon, Bruno Clément, blijkt binnen een bestek van twee bladzijden ineens katholiek te zijn geworden. Volgens Houellebecq is dat in de Franse context helemaal niet zo vreemd (wat ik overigens durf te betwijfelen), maar in het nog maar net ontzuilde Nederland is zoiets natuurlijk onmogelijk zonder nadere verklaring; in gezamenlijk gestotter is dus besloten één extra zinnetje aan de vertaling toe te voegen. Een klein smetje op een glanzend blazoen, zullen we maar zeggen. Gezien de complexiteit van de roman mag het een wonder heten dat er daar niet méér van zijn. Maar we hebben dan ook te maken met een meesterwerk, zoals reeds vermeld. Waarom? Sinds enige tijd ben ik eruit: vanwege de enorme spankracht van het boek. Houellebecq slaagt erin de meest uiteenlopende onderwerpen, stijlen, genres en tonen onder één noemer te brengen, op een voorzover ik weet volstrekt originele manier.

Of eigenlijk, voor wie goed kijkt, juist niet onder één noemer. Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen. Eén noemer dus, en een veelheid van verschijnselen: zwijmelende gedichten, scherpzinnige sociologische analyses, technische kwantumtheoretische uiteenzettingen, hilarische campingtaferelen, een gezwollen pleidooi voor vrije liefde, prachtige poëtische bespiegelingen, sardonische schimpscheuten, emotieloos beschreven martelseksscènes, dat alles bijeengehouden door een blijkbaar alwetende eenentwintigste-eeuwse verteller, die zelf overigens in de epiloog verklapt dat het boek niet meer dan een fictie, een geloofwaardige reconstructie is. Die verteller heeft in Frankrijk heel wat emoties losgemaakt, niet door zijn springerige manier van vertellen maar eenvoudigweg door wat hij is: een gelukzalige kloon, behorend tot een nieuwe intelligente soort die het stokje inmiddels van de mensheid heeft overgenomen. Houellebecq zelf geeft in interviews graag toe dat hij niet bij voorbaat tegen zo’n ontwikkeling is. Schandaal!

Persoonlijk neem ik volstrekt geen aanstoot aan die kloon, ik vind het juist een origineel en bijzonder grappig idee. Elementaire deeltjes is een roman, niet meer en vooral ook niet minder dan dat – dat wil zeggen, om met Milan Kundera te spreken, het is de verbeelding van een mogelijkheid. Het echte gevaar hebben we niet te duchten van schrijvers zoals Houellebecq die een bepaalde mogelijkheid durven aanroeren zonder zich daar bij voorbaat tegen uit te spreken (wat overigens niet betekent dat ze er meteen ook voorstanders van zijn) maar van lezers die zodanig vastgeroest zijn in hun ideologie dat ze niet eens in staat zijn een onderscheid te maken tussen werkelijkheid en fictie, laat staan te zien dat die ‘werkelijkheid’ waarop ze zich zo blindstaren zelf eigenlijk ook al een fictie, een mogelijkheid is. Juist het onvoorwaardelijke geloof in één werkelijkheid, en de bloedige verdediging ervan, heeft in de loop van de geschiedenis de grootst mogelijke ellende voortgebracht. Mensen, leer de wereld toch eens te lezen als een roman!

Maar er valt nog veel meer te zeggen over die kloon. Bijvoorbeeld: ook binnen het boek wordt de vervanging van de mensheid door een nieuwe intelligente soort niet ondubbelzinnig als een zegen beschreven. Ja, de eenentwintigste-eeuwse verteller loopt natuurlijk over van gelukzaligheid vanwege de verdwijning van het individualisme en de ziekelijke geldingsdrang die de mens kenmerkten (vandaar ook dat die gedichten zo zwijmelend moeten zijn: kunst en wetenschap staan op een veel lager pitje nu ze niet meer door de prikkel van de individuele ijdelheid worden gedreven). Van hem kun je dus geen objectief oordeel verwachten. Uit het verhaal dat hij vertelt blijkt echter overduidelijk dat de nieuwe soort op nogal dubieuze wijze tot stand is gekomen: een schimmige wetenschapper, Bedřich Hubčejak, heeft zich over het gedachtegoed van hoofdpersoon Michel Djerzinski ontfermd en diens ideeën blindelings in praktijk gebracht, zonder rekening te houden met de metafysische en filosofische inzet ervan. Zo gaat dat, lijkt Houellebecq te willen zeggen:  het technisch mogelijke zal altijd worden geprobeerd. Ja, door hetzelfde soort mensen dat zich er met hand en tand tegen verzet (fanatici, dat wil zeggen slechte romanlezers), zou ik geneigd zijn daaraan toe te voegen.

De kloon-verteller laat zich niet altijd even duidelijk zien. Hij is onmiskenbaar aan het woord in de proloog, de epiloog en het eerste en laatste gedicht van de roman (om een idee te geven: ‘het netwerk der omstandigheden omspoelt onze lichamen in een halo van vreugde’), maar voor het overgrote deel duidt niets erop dat het hele boek een terugblik is vanuit de late jaren zeventig van de volgende eeuw. Bedřich Hubčejak wordt pas exact (maar dan ook héél exact) op de helft van het boek, in hoofdstuk 11 van het tweede deel, voor het eerst genoemd als latere exegeet van Djerzinski’s onderzoekingen. Om met diezelfde Hubčejak te spreken: ik vind dat een geniale vondst. We weten weliswaar al sinds de proloog dat ons een ‘derde metafysische omwenteling’ boven het hoofd hangt, en de helaas al te schaarse kommaneukers onder ons hebben al uit de eerste zin kunnen opmaken dat de mens als vanzelfsprekend middelpunt van het heelal heeft afgedaan (de komma na ‘een mens’ leidt een uitbreidende bijvoeglijke bijzin in en geeft daarmee impliciet aan dat het boek ook had kunnen gaan over een niet-mens, laten we zeggen een kloon), maar vanaf hoofdstuk 1 van het eerste deel lijkt er verder een doodgewone, dat wil zeggen menselijke (hoewel soms behoorlijk alwetende) verteller aan het woord.

Sterker nog, die ís ook aan het woord. ‘Het vertelstandpunt is een beetje glibberig,’ merkte één enkele Franse recensent op, en inderdaad zijn er passages te vinden die onmogelijk door een eenentwintigste-eeuwse kloon geschreven kunnen zijn maar alleen door een intelligente zedenbeschouwer uit de late jaren negentig van de twintigste eeuw. Om een voorbeeld te noemen: na een subtiele analyse over de implicaties van de seksuele bevrijding aan het eind van de jaren zestig lezen we: ‘Zoals het mooie Franse woord ménage aangeeft, dat zowel “huishouden” als “zuinigheid” betekent, vertegenwoordigden het echtpaar en het gezin het laatste eilandje van primitief collectivisme binnen de liberale samenleving. De seksuele bevrijding leidde tot de vernietiging van die tussengemeenschappen, de laatste buffers tussen het individu en de markt. Dat vernietigingsproces gaat ook nu nog onverminderd verder’ (p. 124). Maakt Houellebecq hier (en elders) een weeffoutje door over de schouders van zijn kloon zelf even het woord te nemen? Nee, natuurlijk niet. Probeer de laatste zin maar eens te vervangen door een zin die de kloon had kunnen opschrijven: ‘Dat vernietigingsproces ging ook in de jaren negentig nog onverminderd verder.’ Daarmee maak je van het hoofdverhaal, dat zich afspeelt van 30 juni 1998 tot 1 januari 2000, ineens een terugblik, en dat is overduidelijk niet de bedoeling. Kortom: het boek heeft wel degelijk (minstens) twee vertellers, of noemers, zoals ik eerder zei. Het geniale is dat die niet op een realistische manier van elkaar worden gescheiden maar geleidelijk in elkaar overvloeien, waardoor Elementaire deeltjes een unieke januskop krijgt: het is tegelijkertijd een sciencefictionroman en een roman over ons eigen fin de siècle, zonder dat die twee elkaar voor de voeten lopen.

Tot versplintering leidt die dubbelheid evenmin, niet alleen omdat het sciencefictionverhaal uiteindelijk rechtstreeks voortkomt uit het verhaal over Michel Djerzinski, maar vooral ook omdat de hele roman gedragen wordt door één groot thema: het gebrek aan menselijke verbondenheid in onze op competitie en concurrentie gebaseerde maatschappij. De halfbroers en tegenpolen Michel en Bruno bewijzen allebei op hun eigen manier hoe de westerse mens is gestrand op een eiland van individualisme, en Houellebecqs analyse liegt er niet om: het komt door de hippies (de moeder van de twee halfbroers, die hen al snel aan  hun lot overliet, was er een), die met hun strijd voor seksuele vrijheid en tegen huwelijk en gezin hebben bewerkstelligd dat het individu zich nu de hele dag wil en moet onderscheiden, zowel op zijn werk als tegenover zijn partner(s). Reactionair? Reken maar. Alleen: met zo’n krachtterm (liefst voorzien van drie uitroeptekens) is de onheilsboodschap heus niet ineens onschadelijk gemaakt, zoals sommigen (inderdaad ja: de slechte romanlezers) schijnen te denken.  En dan nog, is een ‘reactionaire’ romanschrijver behalve verachtelijk, abject en verwerpelijk ook per definitie een schrijver van slechte romans? Dat lijkt me een zeer heikele conclusie, die riekt naar banvloeken en boekverbrandingen, kortom naar het soort terreur dat mij onverenigbaar lijkt met de principiële openheid van de romanvorm (hoewel je natuurlijk ook romans hebt die die vorm voor het karretje van ‘de werkelijkheid’ willen spannen – dat noem ik nou slechte kunst).

Met zijn diagnose doet Houellebecq de maatschappijkritiek van onze eigen Frans Kellendonk nog eens dunnetjes over. Die laatste, in zijn geruchtmakende gesprek met H.G. van den Brink: ‘Ik maak bezwaar tegen de vermannelijking van onze cultuur, waarvan het feminisme ook een symptoom is. De vrouw ontkent haar baarmoeder en wil zich gaan waarmaken in de mannelijke wereld van handel, wetenschap en kunst. Zij gaat een mannelijk idee nastreven van wat wenselijk is. En ik zet juist vraagtekens bij de begerenswaardigheid van die mannelijke wereld’ (NRC Handelsblad, 9 mei 1986). Afgezien van de nogal dubieuze baarmoedermetafoor zou dat citaat zo uit de mond van Houellebecq afkomstig kunnen zijn, maar zo eenduidig zwartgallig als Kellendonk is hij niet. Binnen de roman wordt elke sombere analyse algauw weer gerelativeerd door een luchtige of zelfs kluchtige passage die laat zien dat de wereld heus niet louter tragisch maar toch op zijn minst tragikomisch is, en de speelse manier waarop Houellebecq zijn uiterst serieuze hoofdthema behandelt kan alleen de allergrootste agelast (niet-lacher, dat wil zeggen niet-lezer; ik heb het woord van Kundera, die het aan Rabelais ontleent) koud laten. ‘MORGEN ZAL VROUWELIJK ZIJN,’ leest Michel Djerzinski in een mailorderprospectus, en hij ziet er de voorbode van een ophanden zijnde beschavingsrevolutie in. ‘MORGEN ZAL VROUWELIJK ZIJN,’ voorspelt Bedřich Hubčejak dertien jaar en ruim tweehonderd pagina’s later, zich sterk makend voor de creatie van een nieuwe, niet-egoïstische soort. Hoe je van een roman kunt gaan houden.

Leiden, 31 augustus 1999

[Verschenen in In ’t schip 2, november 1999, © Martin de Haan]