web analytics
Help mij schrijven!

Michel Houellebecq, ‘Platform’, fragment

Posted by on mei 2, 2002

Michel Houellebecq, PlatformMidden in een dronkenschap, vlak voor de totale versuffing, beleef je soms momenten van intense helderheid. De teloorgang van de seksualiteit in het Westen was onmiskenbaar een sociologisch verschijnsel van enorme omvang, het had geen zin dat te willen verklaren aan de hand van individuele psychologische factoren; toen ik een blik op Jean-Yves wierp, besefte ik dat hij een perfecte illustratie van mijn stelling vormde, het was bijna gênant. Niet alleen neukte hij niet meer en had hij ook geen tijd meer om het te proberen, erger nog, hij had er niet eens echt zin meer in, hij voelde het leven uit zijn lichaam wegvloeien, hij begon de geur van de dood te ruiken. ‘Toch…’ wierp hij na een lange aarzeling tegen, ‘heb ik gehoord dat er vrij veel belangstelling voor parenclubs is.’

‘Nee, die lopen juist steeds slechter. Er gaan veel nieuwe tenten open, maar die moeten binnen de kortste keren weer sluiten omdat ze geen klanten hebben. In feite zijn er in Parijs maar twee die overeind kunnen blijven, Chris et Manu en de 2 + 2, en ook die zijn alleen op zaterdagavond vol; voor een agglomeratie van tien miljoen inwoners is dat weinig, en het is veel minder dan begin jaren negentig. Partnerruil is leuk, maar de formule begint steeds meer uit de mode te raken, want de mensen hebben geen zin om wat dan ook te ruilen, laat staan hun partner, dat past niet meer bij de moderne mentaliteit. Volgens mij heeft het nu net zoveel overlevingskansen als het liften in de jaren zeventig. De enige categorie die momenteel echt in een behoefte voorziet, is de SM…’ Op dat moment wierp Valérie me een wanhopige blik toe en gaf me zelfs een schop tegen mijn schenen. Ik keek haar verbaasd aan, het duurde even voordat ik het begreep: nee, natuurlijk ging ik het niet over Audrey hebben; ik gaf een geruststellend knikje. Jean-Yves had de onderbreking niet eens opgemerkt.

‘Dus,’ vervolgde ik, ‘aan de ene kant zie je honderdduizenden westerlingen die alles hebben wat ze willen, maar geen seksuele bevrediging meer kunnen vinden: ze zoeken, ze zoeken onophoudelijk verder, maar ze vinden niets, en daar worden ze doodongelukkig van. Aan de andere kant zie je miljarden individuen die niets hebben, die omkomen van de honger, jong sterven, in erbarmelijke omstandigheden leven en niets anders meer hebben om te verkopen dan hun lichaam en hun onbedorven seksualiteit. Het is zo klaar als een klontje: dit is een ideale ruilsituatie. De poen die daarmee te halen valt is haast onvoorstelbaar: meer dan in de informatica, meer dan in de biotechnologie, meer dan in de media-industrie; er is geen enkele economische sector die de vergelijking kan doorstaan.’

[Michel Houellebecq, Platform, vertaald door Martin de Haan. De Arbeiderspers, 2002.]

Geen kattenpis (of wel)

Posted by on sep 27, 2001

‘Rumoer om Thaise seks in nieuw boek Houellebecq’, kopte de Volkskrant op 24 augustus op de kunstpagina, en de eerste zin van het artikel legt netjes uit wat er aan de hand is: ‘Frankrijk heeft zijn eerste schandaal van het nieuwe literaire seizoen: in zijn nieuwe boek zou Michel Houellebecq, auteur van het ook al controversiële Elementaire deeltjes, prostitutie in de Derde Wereld verheerlijken.’

In het Engels van The Guardian, waaruit de Volkskrant het artikel heeft overgenomen, klinkt die zin net iets anders: ‘The first scandal of France’s new literary season broke out yesterday when the enfant terrible of French letters, Michel Houellebecq, was accused of writing a novel which celabrates third-world prostitution.’ Hoe een vertaling gewild of ongewild het oordeel van de lezer kan sturen… In het Engels is er sprake van een concrete beschuldiging (door een reisboekenuitgever die in de roman op de hak wordt genomen), in het Nederlands blijft de beschuldiging vaag en anoniem, meer in de trant van: ‘Naar verluidt…’ Hearsay, heet dat met een mooi woord in het Engels.

Vertalen is keuzes maken. Dat mag misschien vanzelfsprekend lijken, toch staan we er doorgaans nauwelijks bij stil dat elk woord van een vertaling is gekozen door de vertaler, niet door de auteur. De vertaler bepaalt hoe de tekst klinkt, welke suggestie ervan uitgaat en welke aspecten de meeste nadruk krijgen. Dat alles zuigt hij natuurlijk niet zomaar uit zijn duim: van elke keuze die een goede vertaler maakt, mag worden aangenomen dat ze in dienst staat van zijn visie op de oorspronkelijke tekst. Maar de ene visie is de andere niet, en twee vertalers zullen dezelfde tekst dan ook nooit op dezelfde manier vertalen. Vergelijk het maar met het uitvoeren van een muziekstuk: geen interpretatie is gelijk.

In het geval van een omstreden auteur als Michel Houellebecq, van wie ik na De wereld als markt en strijd en Elementaire deeltjes ook de nieuwe roman Plateforme ga vertalen, is die ‘visie van de vertaler’ misschien nog wel belangrijker dan normaal, niet alleen om esthetische maar ook om ethische redenen. Ik vind Plateforme een goed boek, anders zou ik het niet vertalen (zoals de novelle Lanzarote), maar omdat ik me er terdege van bewust ben dat veel van wat in de roman te berde wordt gebracht geen kattenpis is (of juist wel, voor sommigen), zal ik er door middel van mijn vertaalkeuzes alles aan moeten doen om de lezer van mijn visie te doordringen, namelijk: net als Houellebecqs vorige twee romans is Plateforme een door en door ironisch bouwsel.

De vorige keer dat ik zoiets over Houellebecq beweerde kwam me dat in deze krant op een sarcastische sneer van Marijke Arijs te staan: ‘In zijn nawoord legt Martin de Haan uit dat de lezers onvoldoende oog hebben voor ’s mans onvolprezen ironie en niet in de gaten hebben dat de auteur zichzelf en zijn boude beweringen voortdurend relativeert. Zijns inziens is Houellebecq geen fascistoïde reactionair, maar een onverbeterlijke spotvogel’ (SdL, 26 oktober 2000). Pas op Marijke, demagogie is een gevaarlijk wapen, dat zich gemakkelijk tegen zijn gebruiker kan keren. Wanneer ik Houellebecqs boeken ironisch noem, bedoel ik daar uiteraard mee dat er geen eenduidige boodschap uit spreekt: het zijn romans à thèse die hun eigen these op losse schroeven en de lezer aan het denken zetten – als die laatste daartoe bereid is.

In Elementaire deeltjes was de hele structuur van het boek ironisch. De proloog, de erbarmelijke zwijmelgedichten en de epiloog zijn na de afschaffing van de mensheid geschreven door een gelukzalige kloon, die de lezers van het boek impliciet voor de keus stelt: willen we onsterfelijk, gelukkig en belachelijk zijn of toch maar liever sterfelijk, meestal ongelukkig en heel soms groots? Uit de roman zelf valt geen definitieve conclusie af te leiden, en op vergelijkbare wijze blijft ook de hoofdstelling (namelijk dat de hippies verantwoordelijk zijn voor alle ellende van onze tijd) ambigu, omdat Houellebecq die eerst zover doorvoert dat niemand haar meer serieus kan nemen, en vervolgens met een kwinkslag als schromelijk overdreven afdoet.

Niet voor iedereen is die ironie even duidelijk, en dat hoeft ook niet, want het is eigenlijk wel zo charmant dat hetzelfde boek volledig tegengestelde opinies oproept. Nu ook weer bij Plateforme: amper twee dagen nadat de uitgever van de Guide du Routard Houellebecq van de vreselijkste misdaden had beticht, constateerde Jean-Baptiste Harang in Libération dat de roman pas le moindre propos raciste ou sexiste bevat, en dat hij al helemaal niet kan worden gelezen als een pleidooi voor sekstoerisme. Dat lijkt me overdreven: het pleidooi is er wel degelijk, maar het wordt verwoord door een onsympathieke hoofdpersoon die bovendien slecht aan zijn einde komt, dus de kans is klein dat de lezers van het boek nu massaal naar Thailand zullen afreizen, als ze dat al niet deden.

Hoe ga ik Plateforme dus vertalen? Door net als in mijn vertaling van Elementaire deeltjes alle ironische signalen te benadrukken, zo nodig nog iets meer dan in het Franse origineel (want sommige typisch Franse vormen van ironie worden in een letterlijke vertaling onzichtbaar). De titel kan ik alvast verklappen: Platform.

[De Standaard der Letteren, 27 september 2001, © Martin de Haan]

De romanpoëzie van Michel Houellebecq

Posted by on jun 26, 2000

In 1997 had de Franse zondagskrant Le Journal du dimanche een aardig, typisch Frans idee: eenendertig vooraanstaande schrijvers, intellectuelen, uitgevers en journalisten mochten om de beurt een rubriekje vullen met hun antwoord op de vraag welke boeken ‘Frankrijk hebben gemaakt’. De vraag was nogal vaag en de antwoorden liepen flink uiteen, maar in de ranglijst van honderd boeken die de krant uiteindelijk kon presenteren viel in ieder geval één ding op: er stond maar één levende schrijver in, op een bescheiden negenentachtigste plaats. Niet Jacques Derrida, Michel Tournier, Nathalie Sarraute of Emmanuel Le Roy Ladurie was door de Franse intellectuele elite uitverkoren om de banier van het heden hoog te houden, maar – u raadt het al – Michel Houellebecq, een jonge schrijver die welgeteld één roman op zijn naam had staan: Extension du domaine de la lutte, het boek waarvan u nu de vertaling in handen hebt. Houellebecqs romandebuut was in 1994 verschenen bij de kleine uitgeverij van de bekende criticus Maurice Nadeau, en in de jaren na de verschijning had het alle verkoop- en marketingwetten aan zijn laars gelapt: zonder enige reclame had het een prominente plaats in de boekhandels weten te veroveren en behouden, en de Franse literaire wereld raakte maar niet uitgepraat over dat merkwaardige boek. In het literair-kritische tijdschrift L’Atelier du roman, bijvoorbeeld, verschenen tussen 1995 en 1997 maar liefst vijf lovende artikelen over Extension du domaine de la lutte, en minder genuanceerde geesten riepen Houellebecq maar meteen uit tot de grote belofte van de Franse literatuur.

De verwachtingen waren dus op zijn zachtst gezegd hooggespannen toen in 1998 Houellebecqs tweede roman uitkwam: Les Particules élémentaires, in het Nederlands vertaald onder de titel Elementaire deeltjes. Ongetwijfeld zijn die hoge verwachtingen voor een deel debet aan de opgefokte toestanden die zich rond dat boek hebben afgespeeld: ditmaal stond Houellebecq midden in de schijnwerpers en was hij het onderwerp van een daverende promotiecampagne, en het vuur laaide nog eens extra hoog op door het proces dat hij aan zijn broek kreeg van de camping L’Espace du Possible (in de eerste druk bij name genoemd, later vervangen door ‘Le Lieu du Changement’) en zijn verstoting uit de redactie van het tijdschrift Perpendiculaire; heel schrijvend Frankrijk voelde zich ineens geroepen zijn mening over het ‘fenomeen-Houellebecq’ te geven. Over het algemeen werd ook Les Particules élémentaires overigens zeer positief ontvangen, maar bij veel recensenten overheerste toch een gevoel van teleurstelling: de eigenzinnige cultauteur was geannexeerd door de commercie, en de hype zette het boek zelf volledig in de schaduw. Het feit dat de schrijver maar al te gewillig – hoewel niet zonder de nodige nukken en grillen – zijn rondjes draafde in het mediacircus, versterkte die indruk alleen nog maar.

Toch kan de gewilligheid waarmee de persoon Houellebecq zich in de schijnwerpers laat zetten niet los worden gezien van zijn werk. Sterker nog, op grond van alles wat hij vóór Les Particules élémentaires had geschreven, was dat precies wat we konden verwachten. Niet omdat uit zijn vroege werk al zou blijken dat de man zichzelf wil verkopen volgens hetzelfde marktmechanisme dat hij in zijn romans juist aan de kaak stelt, maar omdat hij van meet af aan te kennen heeft gegeven dat hij de beker tot de bodem leeg wil drinken: hij is niet het type schrijver dat zich in een ivoren toren terugtrekt om zich ongestoord aan zijn oeuvre te kunnen wijden, ook niet het type voor wie leven en werk in harmonie naast elkaar bestaan, maar een schrijver die het leven opzoekt in zijn meest extreme vormen – de promotiecampagne van een beoogde bestseller is daar één van – om uit de heftige gevoelens die het oproept de energie te putten voor het schrijven van een explosief oeuvre. ‘Elke grote gemoedsaandoening, of het nu liefde of haat is, brengt uiteindelijk een authentiek oeuvre voort’, lezen we in het boek waarmee hij in 1991 debuteerde, een essay over de Amerikaanse fantasy-auteur H.P. Lovecraft. En net als Lovecraft staat Houellebecq eerder aan de kant van de haat dan van de liefde: haat tegen de wereld, haat tegen het leven, om met de ondertitel van het essay te spreken. ‘Het leven is pijnlijk en teleurstellend’, luidt de eerste zin, waarmee de jonge auteur direct duidelijk maakt dat het boek net zoveel over hemzelf zegt als over de man wiens portret hij schetst – op typisch houellebecqiaanse wijze, zouden we nu geneigd zijn daaraan toe te voegen: met krachtige, rake streken en met die wonderlijke combinatie van scherpzinnigheid, ironie, zwartgalligheid en ingetogen lyriek. Niet voor niets schrijft Houellebecq in het voorwoord bij de heruitgave uit 1999 dat hij het essay achteraf beschouwt als ‘een soort van eerste roman’.

Minstens even verhelderend als het essay over Lovecraft is de verbluffende ‘methode’ die Houellebecq in hetzelfde jaar 1991 publiceerde onder de titel Rester vivant (‘In leven blijven’). In korte, kernachtige hoofdstukjes, die zich laten lezen als prozagedichten, zet hij punt voor punt zijn program uiteen, dat hij sindsdien bijzonder stipt ten uitvoer heeft gebracht. In den beginne is het lijden: net als het boeddhisme, waar hij zich op veel punten nauw mee verwant voelt, ziet Houellebecq het individuele bestaan als een lijdensweg veroorzaakt door de begeerte, en het is de taak van de dichter terug te gaan naar die oorsprong van al wat is. De dichter moet het lijden cultiveren, uitbuiten, grondig leren kennen in al zijn vormen en facetten; hij moet het leven leren verachten en haten, want alleen zo kan hij een werkelijk authentiek oeuvre voortbrengen, een oeuvre dat in overeenstemming is met de waarheid van zijn – voortdurend veranderende en dikwijls tegenstrijdige – emoties. Uiteraard wordt hij daarin tegengewerkt door de samenleving, die het individuele lijden immers moet ontkennen om te kunnen bestaan; de dichter zal dus de tegenaanval moeten openen: ‘Elke samenleving heeft haar zwakke punten, haar wonden. Leg je vinger op de wond, en druk goed hard. Spit de onderwerpen uit waarover niemand wil horen. De achterkant van de façade. Leg de nadruk op ziekte, lelijkheid, verval. Praat over de dood, en over de vergetelheid. Over afgunst, liefdeloosheid, frustratie. Wek afkeer op, dan zit je goed.’

Dit laat weinig aan duidelijkheid te wensen over. De dichter, en daaronder verstaat Houellebecq in dit geval ongetwijfeld ook de romancier, moet een onheilsprofeet zijn, hij moet datgene laten zien wat de officiële propaganda en de reclame met alle macht aan het zicht proberen te onttrekken. Als er dan ook íets is wat literatuur niet moet zijn, is het ‘fictie’ in de zin van een ‘wereld in woorden’ die je naar believen kunt betreden en weer verlaten: schoonheid omwille van de schoonheid, vermaak op niveau. Kunst staat niet los van de wereld waarin we leven, het is een poging die wereld beter te begrijpen via de omweg van de verbeelding, en daarbij zijn alle middelen geoorloofd. Hoe ziet ‘de wereld volgens Michel Houellebecq’ eruit? In ieder geval niet transparant of zwart-wit. De negativiteit waarvan zijn werk tot nu toe doortrokken is – maar mogelijk zal de dichtbundel Renaissance uit 1999 een keerpunt blijken – neemt nooit de vorm aan van een coherent (lees: bedrieglijk) wereldbeeld, en ze sluit positieve momenten niet uit. Voortdurend relativeert de schrijver zichzelf en steekt hij de draak met zijn eigen boude stellingen door ze tot groteske proporties op te blazen of er ineens een komische draai aan te geven. De wereld volgens Michel Houellebecq is een wereld vol tegenstrijdigheden, zoals hij zelf ook keer op keer benadrukt. ‘Persoonlijk zie ik maar één weg, namelijk om compromisloos de tegenstrijdigheden te blijven verwoorden waardoor ik word verscheurd,’ zegt hij in een interview uit 1996 met communistische krant L’Humanité.

Die tegenstrijdigheden keren in allerlei gedaanten terug. Niet toevallig is Houellebecq bijvoorbeeld in verschillende literaire genres actief: de roman, de poëzie en het essay, drie zeer verschillende kunstvormen die zich elk op een geheel eigen manier tot de wereld verhouden; vooral de combinatie van poëzie en roman is veelzeggend. Opvallend is overigens dat Houellebecq de grenzen tussen die drie grondvormen regelmatig overschrijdt. Zijn poëzie is vaak prozaïsch, zijn romans bij vlagen lyrisch, en in zijn essays schrikt hij niet terug voor stijl- en perspectiefwisselingen die je alleen in een roman zou verwachten. Maar vooral de theoretische passages in Les Particules élémentaires hebben het nodige stof doen opwaaien. Veel lezers, zowel voor- als tegenstanders, zagen voor het gemak de relativerende ironie van die passages maar even over het hoofd en reduceerden het boek zo tot ‘de illustratie van een idee’, zoals een Nederlandse criticus het noemde. Zelf heeft Houellebecq absoluut niet de indruk dat hij ‘romans met een boodschap’ schrijft: de theoretische laag vormt voor hem niet het uitgangspunt, maar gewoon een van de vele stemmen die in het boek doorklinken, en niet noodzakelijkerwijs een stem die de definitieve waarheid verkondigt. Hij ziet die theoretische passages vooral als een soort breekijzer waarmee de romanvorm kan worden losgewrikt uit de geruststellende maar bedrieglijke zekerheden van de heersende vertelconventies: de wereld waarin wij leven is chaotisch en vol tegenstrijdigheden, en een roman die iets over die wereld wil zeggen, zal op een of andere manier moeten proberen de illusie van coherentie en continuïteit te doorbreken.

Een van de belangrijkste middelen die de schrijver daarvoor ter beschikking staan is de stijl. Voor Houellebecq is stijl geen doel op zich, een min of meer constant stempel dat de auteur op zijn tekst drukt, maar juist iets wat als een kameleon voortdurend van kleur verandert. ‘Idealiter zou de schrijfstijl de auteur moeten volgen in al zijn gemoedstoestanden, zonder uit te kristalliseren in bepaalde patronen of tics,’ zegt hij in een interview uit 1999 – om daar meteen aan toe te voegen: ‘Dat neemt niet weg dat bepaalde gemoedstoestanden vrij kenmerkend voor mij lijken te zijn.’ Inderdaad is Houellebecqs stijl tegelijkertijd zeer veranderlijk en direct herkenbaar. Typerend zijn de alomtegenwoordige ironie (in het proza althans, de poëzie is een ander verhaal), de nonchalance ten aanzien van de heersende stijlopvattingen (woordherhalingen storen hem niet in het minst) en de voorliefde voor schokeffecten: vaak verandert hij plotseling van toon of register of plaatst hij zinnen naast elkaar die niets met elkaar te maken lijken te hebben. Dat laatste gebeurt overigens niet zelden met behulp van een puntkomma, die het effect nog versterkt. Bijvoorbeeld, in Elementaire deeltjes: ‘De eeuwigheid van de kindertijd is een korte eeuwigheid, maar dat weet hij nog niet; het landschap glijdt voorbij.’ Zelf zegt Houellebecq te hopen dat dit soort schokeffecten door de lezer zal worden ervaren als een vorm van poëzie binnen de roman, en hetzelfde geldt natuurlijk ook voor passages zoals het raadselachtige begin van het tweede boekdeel van De wereld als markt en strijd, waar we ineens te horen krijgen hoe hoog de haaidichtheid is in de buurt van de Straat van Bab el Mandeb: de continuïteit van de lineaire vertelling wordt doorbroken, en even drukt het proza net als poëzie een geïsoleerd moment uit, een eilandje in de tijd – een gemoedstoestand, zou Houellebecq zeggen.

Bij het vertalen heb ik dat stilistische uitgangspunt voortdurend voor ogen gehouden. Het resultaat is een tekst die gemeten naar de standaard van het ‘verzorgde Nederlands’ in bepaalde opzichten ongepolijst overkomt – precies zoals het Frans. Ik heb geen poging gedaan schokeffecten te verzachten, woordherhalingen te vervangen door synoniemen of variatie aan te brengen in gelijkvormige zinsconstructies. Ook de honderden puntkomma’s heb ik zoveel mogelijk laten staan. Weliswaar wordt dit leesteken in het Frans algemener gebruikt dan in het Nederlands, maar in de romanpoëzie van Houellebecq vervult het een sleutelrol, vergelijkbaar met de befaamde drie puntjes van Céline. Het leek me dan ook misplaatst de interpunctie aan te passen aan het ‘normale’ gebruik. En mocht de tekst daardoor iets minder vlot lezen: dat is precies de bedoeling.

[nawoord bij Michel Houellebecq, De wereld als markt en strijd, vertaling Martin de Haan. De Arbeiderspers, 2000]

Michel Houellebecq, ‘De wereld als markt en strijd’, fragment

Posted by on jun 26, 2000

‘Plotseling kon het me niets meer schelen dat ik niet modern was.’
– Roland Barthes

Zaterdagochtend vroeg vind ik op het stationsplein een taxi die me wel naar Les Sables-d’Olonne wil brengen. Bij het verlaten van de stad rijden we door een reeks nevelbanken, en na het laatste kruispunt duiken we in een ondoordringbaar, volmaakt mistmeer. De weg en het landschap zijn volledig ondergedompeld. Er valt niets te onderscheiden, behalve van tijd tot tijd een enkele boom of koe die een moment lang wazig uit de leegte opdoemt. Het is erg mooi. Wanneer we bij de zee aankomen klaart de lucht abrupt, in één klap op. Het waait, het waait hard, maar de hemel is bijna blauw; wolken drijven snel naar het oosten. Ik wurm me uit de Peugeot 504 na een fooi te hebben gegeven aan de chauffeur, wat me een ‘Prettige dag’ oplevert; het komt er een beetje met tegenzin uit, heb ik de indruk. Hij denkt waarschijnlijk dat ik krabben ga vangen of iets dergelijks. Om te beginnen maak ik inderdaad een wandeling langs het strand. De zee is grauw en flink woelig. Ik voel niets specifieks. Ik loop een hele tijd.

Tegen elven beginnen er mensen naar buiten te komen, met kinderen en honden. Ik draai me om en loop de andere kant uit. Aan het uiteinde van het strand van Les Sables-d’Olonne, in het verlengde van de pier die de haven afsluit, staan een paar oude huisjes en een Romaans kerkje. Niets spectaculairs: het zijn bouwsels van robuuste, ruwe steen, gemaakt om de stormen te weerstaan, en inderdaad weerstaan ze de stormen, al honderden jaren lang. Je kunt je heel goed het vroegere leven van de plaatselijke vissers voorstellen, met de zondagsmissen in het kerkje, de gemeenschap der gelovigen, terwijl buiten de wind waait en de oceaan stukslaat op de rotsen van de kust. Het was een leven zonder afleidingen en zonder grote gebeurtenissen, dat geheel in het teken van het zware, gevaarlijke werk stond. Een eenvoudig en landelijk leven, met veel waardigheid. Een nogal stompzinnig leven ook.

Op een paar passen afstand van die huisjes staan moderne, witte gebouwen, bestemd voor de vakantiegangers. Ze vormen een heel complex van flats, met een hoogte die varieert van tien tot twintig verdiepingen. De flats zijn neergezet op een plein met verschillende niveaus, waarvan het laagste als parkeerplaats is ingericht. Ik heb een hele tijd van de ene flat naar de andere gelopen, en ik kan dus op basis van eigen waarneming vertellen dat het merendeel van de appartementen uitzicht op zee moet hebben, dankzij een aantal architectonische foefjes. In die tijd van het jaar was alles verlaten, en de wind die tussen de betonnen structuren huilde had iets zeer onheilspellends.

Daarna liep ik naar een nieuwere en luxere vakantieflat, ditmaal vlak bij de zee gelegen, echt maar een paar meter ervandaan. Hij droeg de naam Het Kapersnest. De begane grond bestond uit een supermarkt, een pizzeria en een discotheek – alle drie gesloten. Een bordje nodigde de geïnteresseerden uit tot een bezoek aan de modelflat.

Ditmaal begon een onaangenaam gevoel zich van me meester te maken. In gedachten zag ik een toeristengezinnetje thuiskomen in hun Kapersnest en even later weer vertrekken om een schnitzel met piratensaus soldaat te maken, waarna de jongste dochter zich ging laten bespringen in een tent van het type ‘In den Olden Hulck’; ik werd er een beetje kregel van, maar ik kon er niets aan doen.

Even later kreeg ik honger. Bij een wafelkraampje raakte ik aan de praat met een tandarts. Nou ja, aan de praat is wel wat sterk uitgedrukt; laten we zeggen dat we een paar woorden wisselden terwijl we stonden te wachten tot de verkoper terugkwam. Ik weet niet waarom hij me meende te moeten vertellen dat hij tandarts was. Over het algemeen haat ik tandartsen; ik beschouw ze als door en door corrupte schepselen met als enig doel in het leven het uittrekken van zoveel mogelijk tanden om Mercedessen met schuifdaken te kunnen kopen. En deze leek me geen uitzondering op de regel.

Om een of andere absurde reden meende ik opnieuw een verklaring voor mijn aanwezigheid te moeten geven, en ik speldde hem een heel verhaal op de mouw met de strekking dat ik van plan was een appartement te kopen in Het Kapersnest. Zijn belangstelling was meteen gewekt, en met zijn wafel in de hand woog hij langdurig de voor- en nadelen tegen elkaar af, om ten slotte te concluderen dat de investering ‘hem de moeite waard leek’. Ik had het kunnen weten.

[Michel Houellebecq, De wereld als markt en strijd, vertaling Martin de Haan. De Arbeiderspers, 2000.]

Michel Houellebecq is wel degelijk een stilist

Posted by on feb 21, 2000

‘Zodra het literaire hanteerbaar wordt (bruikbaar, nuttig), is het verloren.’
– P.F. Thomése

‘Een essay waarvan de stijl is getypeerd als non-style’ – met die aanhaling van een anonieme bron presenteert de redactie van De revisor in het vorige nummer Michel Houellebecqs essay ‘Kunst in tijden van ontreddering’. Wie een beetje op de hoogte is van alle zin en onzin die over het werk van de eigenzinnige Fransman is geschreven, kan wel raden waar die bron moet worden gezocht, namelijk in de redactie zelf (want bij mijn weten heeft de specifieke stijl van juist dit ene essay nooit eerder een dergelijke kwalificatie opgeroepen). Dat klopt heel aardig met mijn eigen ervaringen: toen ik mijn vertaling inleverde, waar ik zelf na veel gevijl en geslijp niet ontevreden over was, bleek de redactie aanvankelijk onaangenaam verrast met het stilistische resultaat. Vooral het begin was houterig, er zat geen muziek in, en het hele stuk door bleef je voortdurend struikelen over die rare latiniserende vormen, om nog maar te zwijgen van dat lelijke woord in het eerste kopje: ‘verplaatsingsversnellingsmedium’, wat moet dat in godsnaam betekenen?

Ik weet niet of ik de redactie heb kunnen overtuigen van de juistheid van mijn ‘vertaalstrategie’, zoals ik het voor de gelegenheid noemde. Ik hoop het. In ieder geval wordt de zwarte piet niet mij maar Michel Houellebecq toegespeeld, en dat is al een hele geruststelling. Maar het kan geen kwaad nog eens publiekelijk op de kwestie in te gaan, niet zozeer om mijn eigen prestatie in de schijnwerpers te zetten als wel om te laten zien dat de typering non-style op zijn minst enige nuancering behoeft.

Natuurlijk heeft de redactie van De revisor die typering niet helemaal zelf verzonnen, zoals ik schertsend suggereerde, maar alleen toegepast op een andere tekst. Het oorspronkelijke oordeel betrof Houellebecqs roman Elementaire deeltjes, die in de storm van verwensingen en toejuichingen waarmee hij in Frankrijk werd ontvangen onder andere het verwijt kreeg dat hij ‘geen stijl’, of correcter: een ‘slechte stijl’ had (want de meeste critici beseften ondanks hun woede nog wel dat een boek zonder stijl even onmogelijk is als een muziekstuk zonder noten). In Nederland had Margot Dijkgraaf zoals zo vaak de primeur: ‘Les particules élémentaires is een boek dat literair-stilistisch gezien geen grote hoogten bereikt,’ stelt zij in NRC Handelsblad van 30 oktober 1998.

Toen ik die recensie las was ik net begonnen aan mijn vertaling, en juist de ‘literair-stilistische’ kant van het boek (ik neem aan dat Dijkgraaf daarmee alles bedoelt wat niet louter ‘inhoud’ is) vond ik fascinerend, meer dan de vermeende moraal (maar welke?) waar iedereen het voortdurend over heeft, en die volgens mij juist door de ‘literair-stilistische’ kracht wordt gerelativeerd en geïroniseerd, maar daarover later meer. Naarmate mijn vertaling vorderde werd ik alleen nog maar gesterkt in die gedachte, en om eerlijk te zijn vind ik het volstrekt onbegrijpelijk dat er mensen rondlopen die van een ‘vlakke stijl’ durven te spreken, zoals een deelnemer aan de Houellebecq-discussie op de website van de Volkskrant doet. De stijl van Elementaire deeltjes hobbelt, schokt, botst en bonst voortdurend, de auteur gunt zijn lezer geen moment rust, en dat lijkt me op zichzelf al geen onaardig ‘literair-stilistisch’ effect. Voor een vertaler is het in ieder geval een veel grotere uitdaging dan een ‘soepele, vlotte stijl’, zoals de recensenten het zo graag noemen (overigens alleen bij vertalingen, alsof vlotheid en soepelheid daarin a priori lovenswaardig zijn; mijn vertaling van Elementaire deeltjes kwam niet verder dan een ‘zeer leesbaar’ van Arnold Heumakers).

De grote vraag is natuurlijk of Houellebecqs schokkerige stijl niet louter onmacht is. De Franse schrijver Dominique Noguez heeft in het tijdschrift L’Atelier du roman al laten zien dat Houellebecq zeer wel in staat is ‘mooie’ zinnen te maken, maar daar gaat het uiteindelijk niet eens om: zouden de kubistische schilderijen van Picasso ons minder zeggen als we niet wisten dat hij ook heel goed ‘realistisch’ kon tekenen? Een romanschrijver die zijn kunst serieus neemt (dat wil zeggen die niet schrijft om het publiek te behagen maar omdat hij iets wezenlijks toe te voegen heeft aan de romantraditie) maakt geen mooie zinnen voor het mooie alleen. Zelf citeert Michel Houellebecq in een essay deze uitspraak van Schopenhauer: ‘De eerste – en vrijwel enige – voorwaarde van een goede stijl is dat je iets te zeggen hebt.’ Houellebecq: ‘Ondanks zijn kenmerkende botheid kan die zin een steun zijn. Wanneer in een gesprek over literatuur bijvoorbeeld het woord écriture [een modieus woord voor schrijfstijl, zoiets als ‘schriftuur’] valt, weet je dat het tijd is om je even te ontspannen. Om wat rond te kijken en nog een biertje te bestellen.’ En iets verderop: ‘De poëzie lijkt nog ernstiger aangetast [dan de roman] door die stompzinnige gedachte dat literatuur de taal bewerkt met als doel een écriture voort te brengen.’

Kortom: een goede stijl (Houellebecq ontkent niet dat die bestaat, en hij houdt zich blijkbaar bewust met de vraag bezig) moet onlosmakelijk verbonden zijn met datgene wat de roman te zeggen heeft – als roman welteverstaan, dat wil zeggen als kunstvorm die geen antwoorden geeft maar vragen stelt, mogelijkheden laat zien en die probeert te doorgronden zonder direct een oordeel te vellen. En nu komt het: juist de stijl maakt de goede lezer van Elementaire deeltjes erop attent dat er géén sprake is van ‘de illustratie van een idee’, zoals Willem Kuipers het boek in zijn Volkskrant-recensie betitelt. Natuurlijk zijn bepaalde meningen van de persoon Houellebecq ook in zijn roman terug te vinden (net als in alle andere romans van alle andere schrijvers, van Kafka tot Coetzee), maar binnen het fictieve kader worden ze voortdurend geïroniseerd en gerelativeerd.

Neem nu bijvoorbeeld deze zin, die Kuipers citeert als toonbeeld van ‘verwaten, academische prietpraat’: ‘Het opvallende lot van Martin Ceccaldi is in feite volmaakt symptomatisch voor de integrerende rol die de niet-confessionele scholen ten tijde van de Derde Republiek hebben gespeeld in de Franse samenleving en de voortrekkersfunctie die ze hebben vervuld op het gebied van de technologische vooruitgang’ (p. 25). Ja, inderdaad, hier lijkt iemand aan het woord die zeer zeker is van zijn zaak. Maar de alinea die eraan voorafgaat druipt van de ironie, en een bladzijde verderop gebeurt iets wat op een opiniepagina van een Franse krant (Kuipers’ ijkpunt van verwerpelijkheid) volstrekt ondenkbaar is: nadat hij het symptomatische leven van Martin Ceccaldi heeft beschreven, stelt de romancier Houellebecq de vraag van levensbeschrijvingen in het algemeen aan de orde: ‘Je kunt een mensenleven net zo beknopt of uitgebreid navertellen als je maar wilt. De metafysische of tragische manier, die zich in laatste instantie beperkt tot de geboorte- en sterfdatum die traditioneel in een grafsteen gegrift staan, onderscheidt zich natuurlijk door zijn extreme beknoptheid. In het geval van Martin Ceccaldi lijkt het gepast een historisch-sociale dimensie ter sprake te brengen, die het accent niet zozeer op de persoonlijke kenmerken van het individu legt, als wel op de ontwikkeling van de samenleving waarvan dat individu een symptomatisch element is.’ Daarom heeft Martin Ceccaldi recht op ‘één of twee bladzijden’ (p. 26-27).

De ironische ondertoon is onmiskenbaar. Door middel van subtiele signalen, met name de gedoseerde, onderkoelde overdrijvingen (het grafschrift als metafysische of tragische manier om een leven te beschrijven!), geeft Houellebecq te kennen dat we met een pastiche te maken hebben, een bewust gebruik (al dan niet karikaturaal, maar in ieder geval relativerend) van een bestaande vorm of stijl. Zo roept de geciteerde passage verschillende associaties op: met de stijl van een opiniepagina, maar bijvoorbeeld ook met de deterministische romans van Émile Zola. De lezers die in de sociologische uitweidingen met hun pseudo-wetenschappelijke jargon de ware Houellebecq denken aan te treffen, omdat ze de literaire inzet van de pastiche voor het gemak over het hoofd zien, zitten er dan ook flink naast. (Dat blijkt ook wel uit de vele tegenstrijdige meningen die de auteur in interviews ten beste geeft: niet echt wat je zou verwachten van een schrijver van tendensliteratuur! Het omgekeerde is eerder het geval: in zijn romans, en zeer zeker ook in het essay in het vorige Revisor-nummer, beproeft Houellebecq bepaalde ideeën die hij voorstelbaar acht, hij geeft ze de ruimte en kijkt waar ze toe leiden. De literatuur is de enige plek waar dat mogelijk is.)

Een andere stijl die wordt gepasticheerd is die van de new age. Dat zal weinig lezers zijn ontgaan in de hilarische campingscènes van het tweede deel, waar Houellebecq strooit met chakra’s, subtiele energieën en andere zweverigheden. Al even weinig lezers schijnen zich echter te hebben gerealiseerd dat de gedichten op pagina 9 en 317 in min of meer dezelfde stijl zijn geschreven (‘een halo van vreugde’ etc.). Voor wie de moeite neemt Elementaire deeltjes voor de tweede keer te lezen, of er in ieder geval nog eens in terug te bladeren, wordt duidelijk dat die twee gedichten geschreven moeten zijn door de kloon die ook aan het woord is in de epiloog (maar niet in de hele roman, zoals ik al heb laten zien in nummer 2 van In ’t schip – en ook dát merk je aan de stijl). Ik kan ze niet anders lezen dan als een ultieme vorm van ironie en romaneske meerstemmigheid: als we de epiloog uit hebben, weten we dat de mensheid is vervangen door een nieuwe intelligente soort die onsterfelijk, gelukkig en niet-egoïstisch is, kortom alles waar de hoofdpersoon Michel Djerzinski naar heeft gestreefd (en met hem Michel Houellebecq zelf, denken we het hele boek door). Maar zoals de kloon-verteller zelf ook al zegt: door het wegvallen van de individuele ijdelheid staan kunst en wetenschap in de nieuwe wereld op een veel lager pitje, en in dat kader moeten we die gedichten natuurlijk zien. Hoe dicht een gelukzalige, op goedheid voorgeprogrammeerde kloon? Abominabel, natuurlijk. De grootste fout die we kunnen maken is dan ook om net als Willem Kuipers en Jacq Vogelaar, de twee grote tegenstanders onder de recensenten, te denken dat Houellebecq in die gedichten zélf aan het woord is. Integendeel, door die zwijmelende gedichten stelt hij ons voor de keuze: willen we onsterfelijk, gelukzalig en belachelijk zijn of toch maar liever sterfelijk, vaak ongelukkig en heel soms groots? Elementaire deeltjes geeft daarop geen antwoord, het boek stelt alleen de vraag – door middel van de stijl .

Kortom: als er één ding van levensbelang is voor het welslagen van Houellebecqs onderneming, is het wel de stijl – niet de constante, individuele stijl van auteurs als Pierre Michon of Jean Echenoz, maar een voortdurend wisselende stijl die op elk moment in dienst staat van de roman als (veelstemmig) geheel. Naast boude analyses, kluchtige dialogen en momenten van plotseling opblinkende poëzie vinden ook houterigheid en amuzikaliteit daarin een plaats, getuige bijvoorbeeld de overrompelende of zelfs ronduit irritante proloog, die in een paar gortdroge, nauwelijks op elkaar aansluitende alinea’s even vertelt ‘hoe het zit’. Meteen daarna volgt een van de twee erbarmelijke ‘religieuze gezangen’, zoals Heumakers ze niet ten onrechte noemt, en dan pas barst het eigenlijke verhaal los. Het literaire effect van dat absurde begin is duidelijk: er wordt een inhoudelijke en stilistische spanning gecreëerd, en de lezer wordt eens flink tegen de haren in gestreken. Hier ben ik, lijkt Houellebecq te willen zeggen.

Zo werkt het op kleine schaal ook in het essay ‘Kunst in tijden van ontreddering’. Meteen het eerste kopje is al volstrekt onbegrijpelijk. ‘De hedendaagse architectuur als verplaatsingsversnellingsmedium’, heb ik het vertaald, en het Franse origineel is heus niet minder obscuur: ‘L’architecture contemporaine comme vecteur d’accélération des déplacements’. Wat betekent dat? Je moet verder lezen om het te snappen. En het is natuurlijk opnieuw een vorm van pastiche: in het essay wordt een bepaald wetenschappelijk, filosofisch of ambtelijk jargon aangedikt en geïroniseerd, overigens zonder dat de ‘boodschap’ daarmee minder serieus genomen moet worden. Alleen wordt die boodschap, voorzover hij al eenduidig en niet-tegenstrijdig is, voortdurend gerelativeerd door de stijl. (Ik kan me goed voorstellen dat men dat irritant vindt, en misschien is dat ook wel de bedoeling; maar het dient in ieder geval te worden onderkend als een stilistisch effect.)

En zo kom ik uiteindelijk toch nog uit bij mijn vertaalstrategie. Ik gebruik bewust het woord strategie, omdat vertalen net als het uitvoeren van een muziekstuk niet zozeer een techniek is (hoewel die er natuurlijk wel moet zijn, als basis) maar vooral een poging de ‘geest’ van een kunstwerk te vangen. Die geest kun je niet vangen door de tekst ‘opnieuw te schrijven’ volgens de heersende stilistische normen van je eigen taal (met als onvermijdelijk gevolg die vermaledijde ‘soepele stijl’, het kleurloze wangedrocht van de middelmaat) maar alleen door je voortdurend af te vragen wat de kern is van de passage waaraan je werkt, en je eigen stijl daarop af te stemmen. Een goede vertaler is een vertolker van het type Sviatoslav Richter, niet van het type Horowitz: hij maakt zich volledig ondergeschikt aan het kunstwerk, en niet andersom. Juist door die dienstbaarheid, die uiteraard een visie veronderstelt, toont hij zijn eigen persoonlijkheid.

Pastiche en ironie: dat koppel stond centraal in mijn visie op Houellebecqs essay (en tot op zekere hoogte ook op Elementaire deeltjes). De belangrijkste vraag was voor mij dan ook: hoe kun je een Nederlandse lezer laten ‘voelen’ dat er een bepaald jargon (of discours, zoals de Fransen zo mooi zeggen) wordt gepasticheerd? In ieder geval niet door alle plooien glad te strijken. Maar dat is nog niet voldoende, want Nederlandse lezers denken algauw – en niet eens ten onrechte – dat ‘verwaten, academische prietpraat’ voor Franse schrijvers een soort tweede natuur is, en zien dan de zo essentiële ironie niet meer. Kortom, die ironie moet worden aangedikt. Niet te veel, want dan wordt het grotesk, en dan zijn we nog verder van huis. Een klein beetje maar, net genoeg om de lezer zijn wenkbrauwen te doen optrekken. Vandaar zinsneden als ‘hervinden alras de vlotte tred’, en vandaar ook dat mooie lelijke woord: verplaatsingsversnellingsmedium.

[De revisor 27:1 (februari 2000), © Martin de Haan]

Naschrift juli 2010

Na rijp beraad heb ik het woord ‘verplaatsingsversnellingsmedium’ in de definitieve versie van mijn vertaling (verschenen in Houellebecqs essaybundel De koude revolutie) vervangen door het even groteske, maar veel mooiere ‘doorstroombevorderingsfactor’. De redactie van De revisor had dus toch een beetje gelijk.